WPPSI-R (Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence)
Leeftijdsbereik: 4j-7j5m
 
(Note: Deze test is inmiddels vervangen door de WPPSI III NL)
 
Deze test is opgebouwd uit 12 verschillende subtests, die de verbale en
performale mogelijkheden nagaan. Het begin van de subtest is steeds
eenvoudig, maar wordt alsmaar moeilijker naarmate de test vordert. Er
wordt gestopt met iedere subtest wanneer de vragen of opdrachten te
moeilijk worden. Dus: als het kind een aantal vragen achter elkaar
onjuist beantwoord heeft.
 
Subtest 1: Figuur Leggen (FL)
(In)legpuzzels met afbeeldingen van alledaagse voorwerpen waarvan de
stukjes tot een zinvolle figuur moeten worden samengevoegd.
 
Subtest 2: Informatie (IN)
Mondeling aangeboden vragen waarmee de kennis van het kind over
(gebruik van) dingen of begrippen wordt nagegaan.
 
Subtest 3: Geometrische figuren (GF)
Deze test is onderverdeeld in twee delen. Aanvankelijk moet het kind een
figuur herkennen tussen gelijkaardige figuren. In een tweede fase moet
het eenvoudige figuren natekenen.
 
Subtest 4: Begrijpen (BG)
Mondeling aangeboden vragen waarbij uit het antwoord blijkt of het kind
alledaagse regels kent en gebruiken begrijpt.
 
Subtest 5: Blokpatronen (BP)
Geometrische patronen die het kind met behulp van blokjes moet
naleggen.
 
Subtest 6: Rekenen (RE)
In een eerste deel worden rekenbegrippen nagegaan. In een tweede deel
moet het kind tellen en worden eenvoudige rekenopgaven gegeven die het
kind uit het hoofd moet oplossen.
 
Subtest 7: Doolhoven (DO)
Doolhoven met oplopende moeilijkheid waarbij het kind de juiste weg met
potlood moet aangeven.
 
Subtest 8: Woordenschat (WO)
Enkele tekeningen moeten benoemd worden. Daarna moeten mondeling
aangeboden woorden door het kind omschreven worden.
 
Subtest 9: Onvolledige Tekeningen (OT)
Dit zijn tekeningen waaraan iets ontbreekt. Het kind moet zeggen of
aanwijzen wat ontbreekt.
 
Subtest 10: Overeenkomsten (OV)
Deze subtest bestaat uit drie onderdelen. In een eerste fase wordt één
tekening aangeboden en dient een passende tekening uit een reeks
gekozen te worden. Daarna moet een zin aangevuld worden met een
passend woord. Bij de derde fase worden mondeling woordparen
aangeboden, waarbij het kind de overeenkomsten tussen beide woorden
moet aangeven.
 
Subtest 11: Dierenhuis (DH)
Op een bord worden vier figuren geassocieerd met vier gekleurde pinnen.
Daarna volgen 20 maal diezelfde vier figuren door elkaar zonder pin. Het
kind moet zo snel mogelijk bij de figuren de juiste pin aanbrengen.
 
Subtest 12: Zinnen nazeggen (ZI)
Het kind moet mondeling gegeven zinnen zo nauwkeurig mogelijk
herhalen.