Pesten
 
Definitie van pesten
Pesten is het systematisch uitoefenen van psychische- en/of fysieke mishandeling door een kind of een groep kinderen van 1 kind dat niet in staat is zichzelf te verdedigen.
  1. Systematisch.
  2. Ongelijk verdeelde macht.
  3. Psychische en fysieke schade.
  4. Niet weerbaar.
Definitie van plagen
  1. Er sprake van een incident.
  2. Bijna of geheel gelijke macht.
  3. Geen blijvende schade.
  4. Wel voldoende weerbaar.
Het zondebok verschijnsel
Een kind in een geïsoleerde positie wordt bedreigd door de rest van de groep.
  • Partijen
De pester
  1. Deze geniet van zijn macht.
Slachtoffer
  1. Kan denken dat het normaal is dat hij mishandeld wordt.
  2. Kan bang zijn  de groepsnorm te doorbreken.
  3. Bang zijn om niet geloofd te worden.
  4. Bang zijn voor verergering van de situatie.
De rest van de klas is onderverdeeld in groepen met verschillende belangen.
  1. De actief meepesters uit angst om zelf slachtoffer te worden.
  2. Pest ook, niet uit angst, maar uit berekening. Ze profiteren van de situatie. Ze worden er zelf beter van.
  3. Leerlingen die niet pesten, maar ook geen steun verlenen om te stoppen. Ze voelen zich wel schuldig.
  4. Leerlingen die niet door hebben wat in de groep speelt.
  5. Leerlingen met een hoge status binnen de groep en die het af en toe voor het slachtoffer opnemen.
Mechanismen die een rol spelen bij het zondebok fenomeen.
  1. Samenzwering om te zwijgen.
  2. Omstanders dilemma. Personen raken in tweestrijd, wanneer ze geconfronteerd worden met machtsmisbruik. (Zoeken naar uitvluchten, om geen partij te kiezen)
  3. Het schuldig achten van het slachtoffer.
Soorten zondebokken.
  1. Passieve zondebokken. (angstig, onzeker, gevoelig en rustig)
  2. Actieve, provocerende zondebokken.
Ieder kind kan het in zich hebben om een zondebok figuur te worden, als het maar afwijkt van de door de meerderheid vastgestelde norm!
De pester, het slachtoffer en de rest van de klas hebben er belang bij om niet te praten. Hierdoor merken leerkrachten en ouders het vaak niet op.
Theorie achter het zondebok fenomeen.
Het zondebokfenomeen, is vijandig gedrag tegen een onschuldig en hulpeloos slachtoffer, dat optreedt wanneer en omdat de eigenlijke bron van frustratie niet aanwezig is of om welke reden ook niet aangevallen kan worden.
Er is dus altijd sprake van een verstoord groepsevenwicht.  
  • Hoe kinderen pesten
Met woorden:
  1. Vernederen: Hou jij onze handschoenen maar even vast, dat is toch het enige dat jij kunt.
  2. Schelden: Viezerik, vuurtoren, schele.
  3. Dreigen: Je vertelt het niet aan de meester, want dan pakken we je straks.
  4. Belachelijk maken, uitlachen.
  5. Kinderen niet bij hun eigen naam noemen maar altijd bij een bijnaam.
  6. Gemene briefjes schrijven.
Lichamelijk:
  1. Trekken aan kleding, duwen, sjorren.
  2. Schoppen en slaan.
  3. Krabben, bijten en haren trekken.
  4. Met wapens: messen, stokken.
  5. Door achtervolging enz.:
  6. Achterna lopen, opjagen.
  7. In de val laten lopen, klem zetten.
  8. Opsluiten.
Door uitsluiting:
  1. Doodzwijgen: niet reageren op wat het kind doet of zegt, niet tegen hem/haar praten.
  2. Uitsluiten: het kind mag niet meedoen met spelletjes, niet meelopen naar huis, niet komen op een verjaardag.  
Door stelen of vernielen van bezittingen:
  1. Afpakken van kledingstukken en andere spullen.
  2. Beschadigen van spullen: kliederen op boeken, schoppen en gooien met een schooltas, banden lek steken.
Door afpersing:
  1. Dwingen om geld of spullen af te geven.
  2. Dwingen om iets voor de pesters te doen: geld of snoep meenemen, een klus opknappen.  
De vijfsporenaanpak
Bij het bestrijden van pesten wordt meestal uitgegaan van de vijfsporenaanpak:
  • Steun bieden aan het kind dat gepest wordt:
  1. Naar het kind luisteren en haar/zijn probleem serieus nemen.
  2. Met het kind overleggen over mogelijke oplossingen.
  3. Samen met het kind werken aan oplossingen.
  4. Zonodig zorgen dat het kind deskundige hulp krijgt, bijvoorbeeld een sociale vaardigheidstraining.  
  5. Assertiviteitstraining.
  • Steun bieden aan het kind dat zelf pest:  
Juridisch gesprek, waarin straf wordt gegeven aan de pester.
Probleemoplossend gesprek, daarin legt men de oorzaak van het pestgedrag bloot en maakt de pester gevoelig voor wat hij met de gepeste leerling uithaalt.
  1. Met het kind bespreken wat pesten voor een ander betekent.
  2. Het kind helpen om op een positieve manier relaties te onderhouden met andere kinderen.
  3. Het kind helpen om zich aan regels en afspraken te houden.
  4. Zonodig zorgen dat het kind deskundige hulp krijgt, bijv. een sociale vaardigheidstraining.
  5. De middengroep betrekken bij de oplossingen van het pestprobleem:
  6. Met de kinderen praten over pesten en over hun eigen rol daarbij.
  7. Met de kinderen overleggen over mogelijke oplossingen en over wat ze zelf kunnen bijdragen aan die oplossingen.
  8. Samen met de kinderen werken aan oplossingen, waarbij ze zelf een actieve rol spelen.
  9. De school (of de club, het buurthuis, de sportschool) steunen bij het aanpakken van het pesten:
  10. De leerkrachten en de rest van de schoolorganisatie informatie geven over pesten als algemeen verschijnsel en over het aanpakken van pesten in de eigen groep en de eigen school.
  11. Werken aan het tot stand brengen van een algemeen beleid van de school rond veiligheid en pesten waar de hele school bij betrokken is.
De ouders steunen:
  1. Ouders die zich zorgen maken over pesten, serieus nemen.
  2. Informatie en advies geven over pesten en de manieren waarop pesten kan worden aangepakt.
  3. In samenwerking tussen school en ouders het pestprobleem aanpakken.
  4. Zonodig ouders doorverwijzen naar deskundige ondersteuning.  
Onjuiste stelling omtrent pesten (H. Janssens; gedrags- en werkhoudings- en zorgverbreding)
  1. Pesten is normaal.
  2. Het kind roept het kind over zichzelf af.
  3. Het kind moet maar meer over zichzelf afbijten.
  4. Het moet moet meer sociale vaardigheid leren om zich te verweren.
  5. Het kind moet zich meer aanpassen aan de groep.
Opvallend gedrag van de zondebok.
  1. Claimen van kinderen die wel eens aardig zijn.
  2. Overdreven gedrag. (op een eigenaardige manier blij, aardig of bos zijn)
  3. Afkoop gedrag.
  4. Klikken
  5. Sociaal en inadequaat reageren.
Deze gedragingen zijn niet de oorzaak maar het gevolg van gepest worden.
Gedrag van de pesters.
  1. Klein groepje leerlingen. Op te merken via observatie.
  2. Onderling smoezen en samenscholen.
Negatieve rol van de mentor.
  1. Te passief.
  2. Kan af en toe meedoen aan het pestgedrag, doordat hij alleen oog heeft voor het vreemde gedrag van het kind.
De rol van de ouders.
Negatieve rol ouders:
  1. Het kind halen en brengen. (overbescherming)
  2. Afkoop gedrag tegenover pesters.
  3. Claimen van kinderen uit de tussengroep die wel eens aardig zijn.
  4. Naar de ouders van de pester gaan. (Het pestende kind kan wraak nemen voor de straf die het van de ouders krijgt.
Positieve rol van de ouders.
  1. Bespreekbaar maken via de groepsmentor.
  2. Gevoel van eigenwaarde herstellen.
Het voortgezet onderwijs.
  1. Pesten komt het meeste voor op school.
  2. Daardoor werkt het het beste als de school het pestprobleem signaleert en er samen met andere betrokkenen iets aan doet.
  3. Het belangrijkste wat de school kan doen is het pesten zoveel mogelijk voorkómen. De school moet voor iedereen een veilige en prettige plek zijn.
  4. Voor een deel moet dat in de klassen zelf gebeuren. Als leraren de leerlingen serieus nemen en ze niet afkatten, geven ze een positief voorbeeld. Ook is het belangrijk dat leraren een duidelijke houding hebben met betrekking tot conflicten tussen de leerlingen onderling, bijvoorbeeld door geen partij te kiezen.
  5. De mentor of klasseleraar van een klas heeft daarbij een speciale taak. Deze kan sociale conflicten en pestsituaties met de klas bespreken en er samen met de klas oplossingen voor bedenken.
  6. Pesten komt veel voor in de gangen, in de kantine en op het schoolplein. Daarom is het nodig dat de school als geheel een beleid ontwikkelt tegen pesten zodat leerlingen en ouders er op kunnen vertrouwen dat de school voor iedereen een veilige plaats is.  
Voorkómen en bestrijden van pesten
  1. Pesten is geen eenvoudig probleem. Daarom lijkt het vaak onoplosbaar. Toch is pesten wel te bestrijden als het serieus wordt genomen.
  2. Dat betekent dat kinderen moeten weten dat ze om hulp kunnen aankloppen bij de volwassenen om hen heen. Voor volwassenen betekent het, dat ze aandacht moeten hebben voor de signalen van de kinderen. Ze moeten luisteren naar wat de kinderen te vertellen hebben en daar over praten. Voor leerkrachten en begeleiders van groepen in de vrije tijd betekent het dat ze groepsgesprekken moeten voeren, regels moeten afspreken en zorgen dat die regels ook werken.
  3. Het pestprobleem wordt lang niet altijd serieus aangepakt: ouders zeggen dat een kind maar van zich af moet bijten, leerkrachten hebben het te druk en de trainer vindt het zijn verantwoordelijkheid niet.
  4. Als volwassenen alleen af en toe ingrijpen, kan dat verkeerd uitpakken. Gepeste kinderen worden daarna nog meer het slachtoffer omdat ze 'geklikt' hebben.
  5. Daarom is het belangrijk om het pestprobleem degelijk aan te pakken. Daarbij zijn alle betrokkenen nodig. Ieder van hen kan een begin maken met het oplossen van het pestprobleem.
  6. Kinderen die worden gepest kunnen beginnen door met hun ouders, leerkrachten of andere vertrouwde volwassenen te gaan praten. Ze kunnen ook om raad vragen, bijvoorbeeld bij de kindertelefoon.
  7. Andere kinderen kunnen bij hun ouders of leerkrachten aankaarten dat er gepest wordt.
  8. Ouders kunnen met hun kinderen gaan praten en het probleem met andere ouders, op school of in de speeltuin bespreken.
  9. Leerkrachten kunnen het pesten als algemeen probleem regelmatig in hun klas bespreken. Ze kunnen proberen in de klas een open en vriendelijke sfeer te creëren. Concrete pestsituaties kunnen ze met de betrokken kinderen bepraten. Samen met hun collega's kunnen ze werken aan een schoolbeleid rond sociale regels en pesten.
  10. De directie van een school of buurthuis, het bestuur, de ouderraad of de medezeggenschapsraad kunnen de manier van omgaan bespreken en toewerken naar een beleid daarover.
  11. Begeleiders van groepen, trainers en anderen die te maken hebben met kinderen buiten schooltijd, kunnen het pesten met de kinderen bespreken. Ze kunnen proberen de samenwerking tussen de kinderen bevorderen.
  12. Anderen, zoals de wijkagent of de schoolarts, kunnen sociale problemen tussen kinderen die zij hebben geconstateerd aan de orde stellen in hun contacten met scholen en buurthuizen. Ook kunnen zij door hun bijzondere positie soms net een andere invloed uitoefenen op de kinderen dan leerkrachten en begeleiders. de ernst van de situatie niet inschatten.
  • Pestprotocol
Enkele jaren geleden is daartoe door de landelijke ouderorganisaties in het onderwijs een Nationaal Onderwijsprotocol tegen Pesten ontwikkeld. Het is de bedoeling dat alle onderdelen van een school (bestuur, team, medezeggenschapsraad, leerlingenraad en ouderraad) dit protocol onderschrijven.
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ontwikkelt beleid rond De Veilige School. Het streven is, de school te maken tot een plek waar iedereen zich veilig kan voelen. Zaken als seksuele intimidatie komen daarbij aan bod, maar ook geweld op school en pesten.
Natuurlijk zijn projecten en beleidsplannen op zichzelf geen oplossing voor het pesten op school. Ze kunnen wel een belangrijke aanzet geven.
Ouders kunnen er aan meewerken dat op de school van hun kinderen een anti-pest-beleid wordt ontwikkeld. Door gesprekken met de leerkracht of via de ouderraad of de medezeggenschapsraad kunnen zij het onderwerp aan de orde brengen.
 
Literatuur:
  • Het zondebok-fenomeen op school (B. van der Meer)
  • Pesten op school (B. van der Meer)

Hulp bij pesten: http://www.kindertelefoon.nl/

Je kunt de Kindertelefoon ook met je mobiele telefoon bereiken. Bel naar 0900-0132. Dit nummer is niet gratis. Het kost je 20 eurocent per minuut, plus de kosten van je mobiele telefoon.


Feiten over Pesten (bron: http://www.sjn.nl/pesten/)

De meeste basisschoolleerlingen, ruim zestig procent, worden wel eens gepest. Een enkel keertje gepest worden, daar is overheen te komen. Echter, 8 % van de basisschoolleerlingen wordt minstens één keer per week gepest. Dit zijn er minimaal twee per klas. Pesten gebeurt vooral op school. Bijna de helft van de gepeste kinderen vertelt het aan de leerkracht. Volgens de leerlingen grijpen de leerkrachten lang niet altijd in als er gepest wordt. De meeste kinderen vinden het vervelend om te merken dat andere kinderen gepest worden. Veertig procent van de kinderen probeert te helpen als een ander kind wordt gepest. Ongeveer even veel kinderen vinden dat ze eigenlijk iets zouden moeten doen, maar doen het toch niet.
Veel kinderen vertellen thuis niet dat ze gepest worden.

Van de leerlingen in het voortgezet onderwijs (klas 2 en 4) meldt dertig procent dat ze niet worden gepest. Twee procent wordt meer dan één keer per week gepest. Een klein gedeelte van de jongeren vertelt aan een docent dat hij of zij is gepest. De leerkrachten grijpen niet vaak in als er wordt gepest. Ruim twintig procent van de jongeren in het voortgezet onderwijs probeert een gepest kind te helpen. Twee keer zoveel jongeren vinden dat ze eigenlijk zouden moeten helpen, maar doen het niet.

Dit blijkt uit een landelijk onderzoek uit 1991. Er deden 30 scholen voor basisonderwijs aan mee en 36 voortgezet onderwijs-scholen. In totaal zijn 88 klassen kinderen bij het onderzoek betrokken. Het onderzoek bouwt voort op grootschalig onderzoek in Scandinavië. De uitkomsten van het Nederlandse onderzoek kloppen in grote lijnen met de resultaten uit andere landen.

Overigens worden niet alleen kinderen gepest. Ook op het werk lijkt pesten regelmatig voor te komen.