Wat is PDD-NOS?
 
We gebruiken in dit artikel de afkorting PDD-NOS.
Dit staat voor Pervasive Developmental Disorder-Not Otherwise Specified, de Engelse term voor atypische pervasieve ontwikkelingsstoomis.
Pervasief wil zeggen: diep doordringend. Het gaat om een stoornis die in het totale ontwikkelingsverloop doordringt.
Dat wil zeggen dat de stoornis gevolgen heeft voor:
Het is van belang te weten dat de naam Pervasieve Ontwikkelingsstoornis (PDD) geen diagnose is maar een aanduiding van een groep stoornissen.
In de moderne kinderpsychiatrie wordt de atypische pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD≠NOS) omschreven als: een kwalitatieve tekortkoming in de ontwikkeling van de sociale vaardigheden en van de communicatieve vaardigheden. Deze problemen mogen niet het gevolg zijn van autisme of schizofrenie, twee psychiatrische beelden die deels uiterlijk dezelfde kenmerken hebben. Het is duidelijk dat dit een erg ruime omschrijving is en dat veel kinderen hieronder kunnen vallen. Men probeert dan ook binnen deze groep weer een onderverdeling te maken. 
Een eerste onderverdeling die wel gehanteerd wordt is:
Geschiedenis PPD-NOS
In de geschiedenis van de kinderpsychiatrie zijn verschillende verklaringen gezocht voor het gedrag van kinderen met PDD-NOS-kenmerken. In de zogenaamde analytische theorie ging men er vanuit dat een kind in aanleg normaal was en dat de problemen vooral ontstonden door de relatie die de opvoeder met haar kind ontwikkelde. Later werd in de gezinstherapie als verklaring gehanteerd, dat de manier van met elkaar omgaan binnen een gezin bepalend zou kunnen zijn voor de problematiek bij het kind. Ook hier werd ervan uitgegaan dat het kind in aanleg normaal was. De laatste 10 jaar wordt veel meer uitgegaan van een biologisch verklaringsmodel. leder mens heeft bij de geboorte zijn eigen aanleg en dit bepaalt in belangrijke mate of er in het latere leven problemen ontstaan. Als iemand een bepaalde kwetsbaarheid heeft, kunnen er problemen onzeker als er in zijn omgeving ook nog ongunstige omstandigheden zijn. Van kinderen met PDD-NOS vermoeden we dat aanleg de meest zwaarwegende factor is in het ontstaan van de problematiek.
Plaatsing van PDD-NOS
Alle mensen zijn in hun relatie tot hun intelligentie ergens op een lijn te plaatsen die loopt van enerzijds zwakbegaafd naar anderzijds hoogbegaafd. De intelligentie van de meeste mensen ligt rond het gemiddelde. Een soortgelijke lijn is te trekken voor het vermogen aan te voelen hoe je met informatie uit de omgeving en dus ook met sociale omstandigheden omgaat. Deze denkbeeldige lijn loopt dan van enerzijds autistisch (als het ware sociaal zwakbegaafd) via gemiddeld naar sociaal hoogbegaafd. Kinderen met een PDD-NOS zijn op deze lijn te plaatsen tussen autistisch en gemiddeld.
Zwak Sociaal Begaafd                              
 
Gemiddelde
 
Sociaal Begaafd
Autisme
PDD-NOS
 
 
 
Termen die wel worden gebruikt om de stoornis te verklaren, zijn 'informatieverwerkingsstoornis' en 'schakelproblemen'. Deze woorden helpen om te verduidelijken dat bij kinderen met een PDD≠NOS de informatie die op hen afkomt, maar ook interne prikkels die bij hen opkomen, anders worden verwerkt.
In het gedrag van kinderen met een PDD-NOS kan een aantal belangrijke gebieden worden onderscheiden waarin zich problemen kunnen voordoen.
Contact en sociale communicatie
Er is natuurlijk wel sprake van contact en communicatie, maar dit is vaak gekleurd door misverstanden. Sommige kinderen reageren te weinig op hun omgeving en maken geen gebruik van oogcontact. Daar tegenover staat dat andere kinderen juist te eisend of te dwingend zijn. Deze twee kenmerken kunnen ook nog eens afwisselend bij ťťn kind voorkomen. In het contact is er vaak sprake van eenrichtingverkeer.
Kinderen met een PDD-NOS hebben moeite de juiste rol toe te kennen aan verschillende personen. Dit kan in de praktijk betekenen dat ze bijvoorbeeld te open zijn in aanwezigheid van vreemden of juist te gesloten bij goede bekenden. Ook hebben ze moeite het belang van bepaalde gebeurtenissen op de juiste waarde te schatten. En zo kan het gebeuren dat een kind met een PDD-NOS een door anderen als een onbelangrijk beschouwd voorval als het ware beleeft als iets van levensbelang. Het kind kan het dan moeilijk vergeten, blijft daar steeds mee bezig. Ook het vermogen gebeurtenissen in de tijd een juiste plaats te geven, is vaak zwak. Daarom hebben veel kinderen met PDD-NOS bijvoorbeeld moeite met een gebeurtenis, die misschien pas over een maand plaatsvindt. Gedurende een maand wordt hun gedrag dan beÔnvloed door deze op zich misschien niet eens belangrijke gebeurtenis. Deze zwakte is samen te vatten als: het onvermogen de sociale omgeving in perspectief te zien.
Emotionele problemen
Bij kinderen met een PDD-NOS zien we dat de emotionele ontwikkeling vaak grillig verloopt. Zo kunnen we bijvoorbeeld zien dat de vroeg-kinderlijke denk≠ en belevingswereld met zijn fantasieŽn en magie te veel ofte lang blijft bestaan. Kinderen met een PDD-NOS hebben vaak meer dan andere kinderen moeite om fantasie en werkelijkheid te onderscheiden. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat kinderen angstig zijn op een manier die voor anderen niet invoelbaar is.
PDD-NOS is een contactstoornis. Dat wil echter natuurlijk niet zeggen dat kinderen met een PDD-NOS geen contact aangaan of geen gevoel hebben. Hun contacten en gevoelens verlopen echter anders dan gemiddeld. Het feit dat ze wel degelijk gevoelens hebben, betekent dat sommige PDD-NOS-kinderen ergens gedurende hun ontwikkeling ook last krijgen van hun zwakke plek. Ze beginnen te merken dat ze anders zijn dan anderen. Ze hebben meer problemen met hun ouders dan hun broertje of zusje, ze hebben minder vriendjes dan anderen, ze hebben vaker conflicten, ze worden vaker niet begrepen, enzovoort. Dit betekent dat er een moment in de ontwikkeling komt dat PDD-NOS-kinderen emotioneel last kunnen krijgen van hun zwakke plek. Er zijn in grote lijnen twee mogelijke reacties zichtbaar, die ook nog weer bij ťťn kind samen kunnen komen. Het kind kan zich terugtrekken, depressief worden of het kind kan krampachtige, onhandige pogingen doen er toch bij te horen met alle gevolgen van dien.
Taal- en denkontwikkeling en gedrag
Nogal eens verloopt de taalontwikkeling bij kinderen met een PDD-NOS moeizaam. Deze kan laat op gang komen. Ook kan de verbale informatie die een kind geeft onnatuurlijk overkomen. Vaak zien we dat kinderen de taal erg letterlijk nemen en dat ze humor niet begrijpen. Hier staat weer tegenover dat sommige kinderen met een PDD-NOS tot taalkundige hoogstandjes in staat zijn, waarbij dan vaak echter opvalt dat ze hun taal toch op een verkeerde manier gebruiken. Zo komt het vaak voor dat kinderen met een PDD-NOS volwassenen napraten en daarbij uitdrukkingen gebruiken die niet bij hun leeftijd passen.
Onder prikkels verstaan we datgene wat een kind hoort, ziet, voelt, proeft of ruikt, maar ook wat er intern bij het kind zelf opkomt. PDD-NOS-kinderen reageren te weinig of juist te sterk op prikkels van buitenaf. Zo kunnen ze bijvoorbeeld niet in de klas reageren op een opmerking van de leerkracht die voor alle kinderen bedoeld is. Maar het kan ook zijn dat ze juist reageren op een geluidje dat aan alle andere aanwezigen voorbij gaat.
Het functioneren van kinderen met een PDD-NOS wordt vaak in sterke mate bepaald door allerlei prikkels die in henzelf opkomen. Ze functioneren als het ware' op eigen kompas ' .Dit kan voor het ene kind betekenen dat het de drang heeft voortdurend ergens op te stappen en dat het dit-ook doet. Een ander kind echter zal meer teruggetrokken zijn en te zeer zijn eigen gang gaan.
Kinderen met een PDD-NOS zijn over het algemeen gebaat bij vaste patronen. Onverwachte gebeurtenissen en veranderingen in het dagritme kunnen de innerlijk onrust doen toenemen. Dit kan er bij het ene kind toe leiden dat het nog drukker wordt en soms misschien zelfs agressief, terwijl het andere kind zich nog meer terugtrekt dan het anders al deed.
Cognitieve problemen
PDD-NOS komt voor bij kinderen met alle niveaus van intelligentie. Vaak zien we bij kinderen met een PDD-NOS leerproblemen die niet het gevolg zijn van een zwakke intelligentie. Problemen kunnen ontstaan doordat kinderen in het schoolse leren dezelfde fouten maken als in het sociale leren. Ze nemen bijvoorbeeld uitleg te letterlijk, blijven halsstarrig aan hun eigen oplossingsstrategie vasthouden of leggen verbanden die voor anderen onbegrijpelijk zijn.
Er zijn ook andere factoren die het leren negatief kunnen beÔnvloeden. Angsten en fantasieŽn kunnen het gewone leren in de weg staan. Sociale isolatie is ook geen gunstige situatie om prettig te kunnen leren. Veel kinderen leren omdat ze gemotiveerd worden door bijvoorbeeld de leerkracht of ouders. Ze vinden het gewoonweg leuk iets voor een ander te doen. Kinderen met een PDD-NOS missen dit gevoel.
Wat in de schoolse prestaties nogal eens opvalt, is dat kinderen anders presteren dan wat je eigenlijk van hen verwacht. Het ene PDD-NOS-kind komt in het dagelijks leven tamelijk intelligent over, maar zijn prestaties blijven daarbij achter. Het andere kind kan als niet te slim overkomen en zelfs op een intelligentietest laag scoren, maar toch op school heel goed presteren.
Effecten op de omgeving
Het hebben van een kind met PDD-NOS levert diverse problemen op. Klassiek is eigenlijk het verhaal van de ouder, die van babytijd af aan het gevoel heeft, dat zijn kind' anders' is, anders in contact, anders in activiteit, anders in ontwikkeling. De omgeving echter herkent dit niet en is van mening dat de ouder bijvoorbeeld overbezorgd of onervaren is.
Een omslag vindt vaak plaats rond een jaar of 8. Dan begint ook de omgeving op te merken dat dit kind toch wel degelijk anders is. Dan krijgen de ouders klachten over het gedrag van hun kind.
Uitermate vervelend kan het verschil zijn tussen het gedrag van een PDD.NOS-kind thuis en bij de buren of thuis en op school. Vaak is het kind in een andere omgeving, en met name in een gestructureerde schoolomgeving, in staat zich beter te handhaven.
De leden van het gezin bepalen met elkaar hoe het gezin zich als eenheid ontwikkelt. Het PDD≠NOS-kind drukt op dit proces wel heel nadrukkelijk een stempel. Dit kan geÔllustreerd worden aan de hand van het volgende schema (Baartman, 1982):
Begeleiding en behandeling:
Natuurlijk is in eerste instantie een goede diagnostiek van belang. Zie hiervoor diagnostiek bij autisme. Er kan pas sprake zijn van begeleiding als duidelijk is wat er aan de hand is. Het gaat er dan vervolgens om dat er zoveel mogelijk informatie wordt gegeven aan alle betrokkenen. Duidelijk moet hierbij zijn dat er geen sprake kan zijn van genezing, maar dat een goede inzet van ouders en kind kan bijdragen aan een positieve ontwikkeling. In welke mate die positieve ontwikkeling mogelijk is, is mede afhankelijk van de mogelijkheden van het kind.
De ouders
De ouders moeten uitleg krijgen over het beeld, behorend bij PDD-NOS, maar ook over hoe een kind met een PDD-NOS zich kan ontwikkelen. Het is ook van belang informatie te geven over de aanpak in het algemeen. Daarnaast is het belangrijk met de ouders mee te denken over de aanpak van hun kind.
De school
Bij begeleiding van school geldt in wezen hetzelfde als voor de ouders, maar toegespitst op de schoolsituatie. Het is onder andere van belang altijd met school te bespreken of een kind op school kan blijven. Meegewogen moet worden of de problemen die het kind met zich meebrengt, op te vangen zijn binnen de mogelijkheden van de betreffende school. De mogelijkheden van een school met klassen van 20 leerlingen zijn heel anders dan die van een school met klassen van 34 leerlingen. Ook kan de individuele belangstelling van een leerkracht voor bepaalde problematiek of het klimaat op een school van belang zijn om tot de juiste beslissing te komen. Elke leerkracht en elke school heeft zijn eigen sterke sterke en zwakke kanten.
Het kind
Als er sprake is van ernstige problematiek, bijvoorbeeld in de vorm van ernstige angsten, dan is natuurlijk directe hulp voor het kind gewenst. In minder ernstige gevallen kan de hulp meestal op een andere manier worden gegeven. Vaakkan het kind via ouders en school geholpen worden. Hulp aan het kind zelf wordt beter mogelijk naarmate de intelligentie hoger is en naarmate het kind ouder is. De hulp die aan het kind geboden kan worden, bestaat uit:
Behandeling op school
Inleiding.
Bij elke schoolplaatsing is de aanwezigheid van deskundigheid op het gebied van autisme van groot belang. Het is niet zozeer het schooltype dat bepalend is voor de ontwikkeling van het kind, als wel de wijze waarop men, met erg veel inzet de juiste aanpak tracht te vinden. De wijze waarop leerkrachten met kinderen omgaan, de sfeer, die de klas uitstraalt en de ontwikkelingsmogelijkheden, die worden geboden. Onderling vertrouwen en het wederzijds aanvaarden van toegepaste maatregelen m.b.t. het kind zijn belangrijk. Contact tussen ouders en schoolleiding, een goed handelingsplan, gerichte observatie.
Behandeling: specifiek.
Anticiperen op het feit dat PDD kinderen slecht tegen wisselende situaties kunnen.
Deze is nauw verbonden met de ongewone sociale ontwikkeling. Moeilijk is de abstracte betekenis van woorden.
Maak het taalgebruik zo functioneel mogelijk
Van nature zijn autistische kinderen geneigd gebruik te maken van nabijheidszintuigen reuk, tast)
Leren kijken en luisteren moet bewust worden aangeleerd.
Geef het kind een reden om te kijken en te luisteren.. Vaak zijn ze bij kijken en luisteren gericht op ongewone details. D.m.v. gestructureerde opdrachten wordt hen geleerd gericht te kijken en te luisteren.
De behoefte om alles hetzelfde te houden is groot. Men moet heel langzaam veranderingen invoeren en plannen wijzigen. Omdat autistische kinderen zich zo vasthouden aan details zonder er de betekenis van te begrijpen kunnen ze erg in paniek raken als er een detail in de omgeving verandert. Breng stapsgewijs veranderingen aan.Zorg dat structuur een vertrekpunt is en geen doel op zich.Corrigeer  bij crisissituaties en probeer deze zoveel mogelijk voor te zijn door het autistische kind voor te bereiden.
Behandeling kan bestaan uit:
Structuur
Beloning
Goede beloningen zijn: 
Fasen van belonen:
Beloningen moeten gekoppeld zijn aan een activiteit of vaardigheid, die getraind moet worden.
Belangrijk is dat bij alle vakken (V.O) op dezelfde wijze beloond wordt.
Toekomst van het kind met PDD-NOS
In het algemeen is het moeilijk te voorspellen hoe een kind met PDD-NOS zich zal ontwikkelen.  Er is een aantal factoren te noemen die bijdragen aan een gunstige ontwikkeling. Dit zijn een goede intelligentie, het feit dat de verschijnselen vooral thuis voorkomen, de afwezigheid van ernstige denkstoornissen en een goede taalontwikkeling. Er zijn zeker kinderen met een PDD-NOS waar zich een ongunstige ontwikkeling voordoet.   Hierbij wordt bedoeld dat ze op latere leeftijd psychiatrische verschijnselen vertonen als sociale onaangepastheid, depressiviteit en psychotische stoornissen. Naarmate er minder van bovengenoemde gunstige factoren aanwezig zijn, wordt de kans op een slechte prognose groter. Er is nog niet echt onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van kinderen met een PDD-NOS, en met name hoe ze als volwassenen functioneren.  
De indruk bestaat echter, dat de meerderheid van hen een gewoon zelfstandig bestaan leidt. Vroege onderkenning is hierbij van groot belang. Ten eerste omdat het kind begeleid kan worden in het omgaan met zijn informatieverwerkingsstoornis. Ten tweede omdat aan de omgeving uitgelegd kan worden wat er aan de hand is. Dit is van wezenlijk belang voor de omgang tussen ouders en kind, maar ook voor die tussen anderen en het kind. Naarmate de omgeving beter begrijpt wat er met het kind aan de hand is, zal men beter op de problemen in kunnen spelen en beter kunnen accepteren dat het kind soms nu eenmaal dingen doet die je liever niet zou zien. Dit inzicht helpt de eigenwaarde van het kind, maar ook van de ouders, te versterken. Hoe vroeger wordt ontdekt wat het probleem bij het kind is, hoe eerder er gewerkt kan worden aan het vergroten van de weerbaarheid van het kind. Uiteindelijk moet een persoon met een PDD-NOS, net als ieder ander, een evenwicht kunnen vinden tussen zijn eigen mogelijkheid