Geniaal (Genialiteit) Dr. Herman H. Somers

Voorwaarde: Het IQ moet beduidend hoger zijn dan 140.

Indien u meent dat u kind "geniaal" moet het zich geconformeerd hebben aan de daardoor geŽigende meetinstrumenten.

Meetinstrumenten:

De SON (Non-verbale intelligentietest) leeftijd: vanaf 5 Ĺ jaar t/m 17 jaar
De RAVEN SPM (Non-verbale intelligentietest) leeftijd: vanaf 5 Ĺ jaar t/m 85 jaar
De WISC III (Algemene intelligentietest die zowel verbaal als non-verbaal de intelligentie meet): leeftijd: vanaf 6 jaar t/m 16 jaar
De RAKIT (Algemene intelligentietest die zowel verbaal als non-verbaal de intelligentie meet): leeftijd: vanaf 4,2 jaar t/m 9 jaar
De WAIS (Algemene intelligentietest die zowel verbaal als non-verbaal de intelligentie meet): leeftijd: vanaf 16 jaar t/m 85 jaar

 

Geniaal

Beduidend hoger dan 140

Hoogbegaafd

meer dan 130

Begaafd

121-130

Bovengemiddeld

111-120

Gemiddeld

90-110

Beneden gemiddeld

80- 89

Moeilijk lerend

60- 79

Zeer moeilijk lerend

minder dan 60

Hoogbegaafdheid, talent, genie, het zijn drie begrippen, die nogal door elkaar gebruikt worden. Maar laten we al dadelijk duidelijk stellen: vele genieŽn zijn geen hoogbegaafden, zoals vele hoogbegaafden nooit als genie erkend worden. De verering en erkenning die iemand als een genie doen beschouwen, stammen uit het publiek dat door bepaalde prestaties om zo te zeggen overdonderd wordt.

Zo werd Amerika ontdekt door iemand, die zich eigenlijk voortdurend vergiste. Columbus was een avonturier, die als genie vereerd wordt.

De mathematicus Gauss integendeel was uitzonderlijk begaafd, velen kennen hem niet eens.

Einstein is meer bekend dan Max Planck, omdat zijn theorie zoveel meer het publiek verraste.

Jeanne d'Arc en Giordano Bruno hebben hun verering als genie veel meer te danken aan het feit dat ze op de brandstapel stierven.

Meer nog, van het genie wordt wel eens gezegd dat het een soort krankzinnigheid is. En inderdaad talloze door het publiek vereerde genieŽn waren psychopaten, schizofrenen en andere mentaal abnormalen. De roem van het genie wordt dikwijls juist bevorderd door de vreemde, verbazingwekkende sfeer die het genie omringt en die veelal verwekt wordt door de ziekelijke tendensen in zijn psyche. Vooral in de kunst zijn deze "genieŽn" talrijk. De schilder Van Gogh, de dichter HŲlderlin, de componist Schumann zijn duidelijke voorbeelden.

Wat is ďTalentĒ.

Talent veronderstelt begaafdheid. Meestal gaat het om prestatiemogelijkheden die een natuurlijke gave veronderstellen, in een beperkt domein. Zo spreekt men van "muzikaal talent". Begaafdheid is meer algemeen. Het gaat dan in deze context om de natuurlijke gaven, die aan de basis liggen van de intelligentie, om het algemeen peil dat zij bereiken, om het niveau waarop zij werkzaam zijn.

Hoogbegaafdheid is geen simpel concept. Dat blijkt al onmiddellijk als men bedenkt dat sommige debielen echte rekenwonderen zijn.

Qua hoogbegaafdheid heersen er dus nog wel enkele misverstanden. Laten we derhalve het begrip hoogbegaafdheid nog even verder preciseren.

Zoals we zegden wordt het begrip hoogbegaafdheid in verschillende betekenissen gebruikt. De meesten gebruiken het begrip in de zin van het aanwezig zijn van louter specifieke begaafdheden. Zo zijn er, zoals gezegd, sommige debielen: rekenwonderen. Daarenboven zijn er diegenen die talent tonen in: tekenen, schilderen, toneel, muziek, goochelen, circus, sport, talenkennis, techniek, geneeskunde en dgl. Meestal zijn dit louter reproductieve activiteiten. Deze getalenteerden vinden niets nieuws uit; zij presteren, misschien op een volmaakte wijze, en brengen slechts voort wat reeds tevoren bestond. Leraren en professoren behoren tot dit type. Zij doceren wat anderen tevoren ontdekten.

Een andere klasse van zgn. hoogbegaafden zijn degenen die bij die volmaakte reproductiviteit ook nog creativiteit tonen. Daar zijn dan de componisten, schilders, dichters, roman≠schrijvers, uitvinders, grote architecten, detectives, ondernemers, financiers. Allen creŽren zij nieuwe dingen. Zij verrijken het intellectuele en zakelijke patrimonium van de gemeenschap. Dit is dan de tweede stap naar de hoogbegaafdheid. De eerste was een goed assimilatievermogen, de tweede is dus creativiteit. Echte hoogbegaafde kinderen vertonen die originele creativiteit al zeer vroeg. Dat geldt vooral in het domein van de muziek en de wiskunde. In de literatuur verschijnt de originaliteit eerst in het zeventiende of achttiende jaar, bij de wetenschappers, die eerst een grondige vorming moeten ondergaan, duurt het wel tot het achtentwintigste jaar eer zij origineel werk presteren. Toch ontwierp Fermi reeds vanaf de lagere school elektrische motoren die werkten.

In eerste benadering is hoogbegaafdheid dus een hoog niveau van vroegtijdige ontwikkeling van het intellect, gepaard aan een ontwikkelde verbeelding, creativiteit, activiteit, energie en initiatief.

Impliciet heeft ieder een concept van hoogbegaafdheid; een model dat courant is in de gemiddelde middens in Amerika omvat drie basisconcepten: de bekwaamheid in het probleemoplossen, verbale bekwaamheid en sociale competentie.

1. probleemoplossende behendigheid: een hoogbegaafde redeneert logisch en juist, herkent het verband tussen ideeŽn, ziet alle aspecten van een probleem, heeft een open geest, antwoordt bedacht op de ideeŽn van anderen, weet situaties goed in te schatten, gaat naar de kern van de zaak, interpreteert informatie nauwkeurig, neemt goede beslissingen, gaat naar de originele bronnen voor basisinformatie, stelt problemen op een optimale wijze, is een goede bron voor ideeŽn, merkt impliciete onderstellingen en besluiten, luistert naar alle zijden van een argument en gaat vindingrijk om met problemen.

2. verbale bekwaamheid: hij spreekt duidelijk en gearticuleerd, is verbaal "vloeiend", is een goede gesprekspartner, is kundig in een particulier domein, studeert hard, leest met hoog begrip, leest over een ruim gebied, kan efficiŽnt met mensen om, schrijft zonder moeilijkheden, zet tijd apart voor het lezen, beschikt over een ruime woordenschat, aanvaardt sociale normen, en probeert soms nieuwe dingen uit.

3. sociale competentie: hij aanvaardt anderen zoals ze zijn, aanvaardt vergissingen, vertoont interesse voor de hele wereld, is tijdig voor zijn afspraken, heeft sociaal bewustzijn, denkt na vooraleer te spreken of te handelen, vertoont nieuwsgierigheid, maakt geen kapmesoordelen, is fair in het oordeel, beoordeelt juist de relevantie van de informatie die beschikbaar is over een probleem, is gevoelig voor de noden en verlangens van anderen, is oprecht en eerlijk tegenover zichzelf en tegenover anderen, en vertoont interesse voor zijn onmiddellijke omgeving.

Dit portret van de intelligente persoon is een compilatie van meningen en opinies, een volkse opvatting. Voor de psycholoog kunnen die hoedanigheden maar de uiting zijn van een basisbegaafdheid, de intelligentie.

Zoals iedereen weet is het vooral na de invoering van de intelligentietests dat het begrip hoogbegaafdheid ingang heeft gevonden. Oorspronkelijk zocht men een middel om minderbegaafde kinderen beter te identificeren en hun intelligentiegraad objectiever vast te stellen. Binet vond een procedure die toeliet betrouwbare verschillen vast te stellen tussen de kinderen. Het werd de eerste schaal (Binet-Simon) voor de meting van de intelligentie. In Amerika werd het initiatief overgenomen, verrijkt met een aantal andere proefjes die nuttig waren gebleken, en op grote schaal geijkt. Daaruit ontstonden nieuwe schalen (Cattell, Stanford-Binet), opgevolgd door de Terman-schaal en daarna de beide Wechslerschalen, ťťn voor kinderen tot 16 jaar en ťťn voor volwassenen vanaf 16 jaar (WISC en WAIS). Zij zijn om zo te zeggen de standaardschalen, die toelaten vergelijkbare resultaten te bekomen. Oorspronkelijk Engels, werden ze aangepast voor andere talen zoals Nederlands en Frans.

Een intelligentietest wordt samengevat in een intelligentiequotiŽnt.

Dit intelligentiequotiŽnt is eigenlijk een verhouding tussen de zo gemeten verstandelijke leeftijd van een kind en de chronologische leeftijd. Een I.IQ. van 1 of 100 betekent dat een kind precies de gemiddelde verstandelijke leeftijd haalt van zijn leeftijdgenoten. Wegens het feit dat sommige kinderen achterstand hebben tegenover hun leeftijdgenoten en anderen integendeel voorsprong, krijgt men dus een verdeling: 3% zijn deficiŽnt en halen een I.Q. kleiner dan 70; 22% zijn minderbegaafd en halen een I.Q. tussen 70 en 89; 46% zijn middelmatig en halen een I.Q. van 90 tot 109; 23% zijn begaafd en halen een I.Q. van 110 -129; tenslotte 3 % zijn hoger begaafd en halen een I.Q. van 130. Meer specifiek 10% zijn meerbegaafd met een I.Q. hoger dan 120, en 1% is hoogbegaafd met een I.Q. hoger dan 135. (opm: de wisc III 2002 NL geeft andere waarden!)

De intelligentietest bestaat uit een tiental componenten, die apart gemeten worden. Daar zijn bijv. de rijkdom van de woordenschat, de uitgebreidheid van de culturele informatie, de rekenvaardigheid, de getrouwheid van het korte-termijn-geheugen, het abstracte begrijpen, het sociale inzicht in concrete en meer abstracte situaties, het naconstrueren van figuren, de snelheid van het transcoderen, de opmerkingsgave voor ontbrekende delen. Wanneer men nu poogde in de resultaten van deze componenten van de intelligentietest DE intelligentie te ontdekken, dan kwam men na ingewikkelde berekeningen tot een ietwat verwarrend resultaat. Enerzijds vond men dat elk component in meerdere of mindere mate wat men noemde een algemene factor mat. Die algemene factor zou dan zowat de algemene intelligentie zijn, de G-factor. Anderzijds vond men ook dat men die algemene factor kon opsplitsen in specifieke factoren. Daar waren eerst de twee belangrijke aspecten van de intelligentie: de verbale en de perforatiefactor. De verbale factor groepeerde vooral die componenten die verband hielden met abstracte taalbeheersing, de perforatiefactor groepeerde de componenten die verband hielden met visuele integratie en constructie. Ook een derde factor bleek invloed uit te oefenen, dat was een soort aandacht- of concentratiefactor. Want zonder aandacht geen intellectuele prestatie. Tevens werden er nog andere specifieke factoren gevonden, zoals rekenvaar≠digheid en cijfergeheugen. Intelligentie begon te lijken op een mozaÔek. Wanneer men de latere ontwikkeling bestudeerde van het I.Q. dan vond men dat er naarmate de leeftijd vorderde in het resultaat van zekere testen een afname verscheen, terwijl het resultaat van andere testen constant bleef en zelfs toenam. Na de leeftijd van 25 jaar daalt het resultaat op testen die vlugge aanpassing vergen aan onvoorziene gegevens, - de intellectuele functie die hier verschijnt noemde men de "fluid intelligence", de soepele intelligentie, - na de leeftijd van 25 jaar bleef het resultaat op testen die meer verworven kennis toetsen, constant en verhoogde zelfs, - de intellectuele functie die hier verschijnt noemde men dan "cristallised intelligence", gekristalliseerde intelligentie. Zulke testen zijn bijv. woordenschat en informatie.(1)

Meer nog, bij het aanpassen van de intelligentieschalen en het herijken ervan vond men dat het telkens noodzakelijk werd de normen te herzien. Door de algemene ontwikkeling van de maatschappij, de vorderingen in beschaving en cultuur, de betere schoolopleidingen werden de kinderen "slimmer", d.w.z. ze scoorden hoger op de schaal. Als men als criterium de gemiddelde score aanhield van de leeftijdgenoten, was men gedwongen die steeds met enkele punten naar hoger te verschuiven. Daarbij kwam dat enkele kinderen door het vele testen ook "testwijs" werden en dat derhalve sommige testen voor hen gemakkelijker werden. Bij het massale testen vond men tevens kinderen die uitzonderlijk hoog scoorden. In de Amerikaanse literatuur vindt men zelfs enkele I.Q.'s van 200 (Stanford-Binet). In onze gebruikelijke testen is het maximum 154.

Niettegenstaande deze technische verschillen blijft het waar dat de echte hoogbegaafde heel hoog scoort in alles wat betrekking heeft op de G-factor, of algemene factor in de tests. Het is de factor die het best het algemeen niveau aangeeft van de werking van de intelligentie.

Hoogbegaafdheid voor de psychologen betekent dus heel nauwkeurig een I.Q. bereiken, dat ver boven het gemiddelde ligt. Zoals gezegd, slechts 1% van de bevolking haalt een I.Q. van 135 bij een maximum van 154.

Tenslotte werd het duidelijk, dat het resultaat op de voornoemde intelligentieschalen sterk beÔnvloed werd door het cultureel milieu waarin het kind opgroeit en door de vaardigheden die het aanleerde in de school en in het gezin. Dit was een theoretisch nadeel, doch ook een praktisch voordeel. De resultaten lieten immers toe een goede predictie te maken voor de latere studie-uitslagen van een leerling in het middelbaar en in het universitair onderwijs.

Het intelligentiequotiŽnt blijft, in goede omstandigheden gemeten, geldig en stabiel op lange termijn.

Er ontstonden tegelijk grote discussies over de vraag wat nu eigenlijk gemeten werd door deze schalen, of het de echte intelligentie was of slechts de som van een aantal verworven vaardigheden. De tests zouden dan maar een verfijnd examen zijn dat zou aangeven welke de algemene actuele staat van de arrestatiemogelijkheden is op een select aantal domeinen.

Wegens het erkennen van de culturele invloed op de intelligentietesten, bleef de vraag ook open, welke nu eigenlijk de natuurlijke begaafdheid was en hoe die kon gemeten worden. Het is daarom erg belangrijk, vooral bij probleemgevallen, oog te hebben niet alleen voor het cultureel, doch ook voor het neurologisch substraat.

Deze bladzijde is geplaatst met de toestemming van Dr. Herman H. Somers (d.d. 20.12.02)