Eisen Cito-score verschillen per school

Een kind dat bij de Cito-eindtoets een score van 531 haalt, kan in Den Bosch zonder problemen naar de havo/vmbo-t brugklas: het plaatselijke Rodenburgh College hanteert een ondergrens van 531. Maar in Naarden eist men bijvoorbeeld op het Sint Vituscollege een minimumscore van 535 voor de mavo. Welke waarde heeft een Cito-score eigenlijk nog?

‘De toelatingseisen kunnen per school verschillen. Voor ouders en leerlingen is dat heel verwarrend,’ zegt Irene van Kesteren, voorzitter van de Nederlandse Katholieke vereniging voor Ouders (NKO). Elk jaar krijgt de telefonische onderwijsvraagbaak 5010 er weer klachten over. Het is voor ouders volstrekt onduidelijk waarom er voor eenzelfde schooltype soms wel twintig punten verschil in de minimumeisen zit. Zo blijkt uit een recent onderzoek van de Cito-groep dat er gymnasia zijn waarvoor brugpiepers minimaal 548 gescoord moeten hebben (de norm voor automatische toelating tot het vwo is een score vanaf 545; voor een Cito-eindtoets kunnen maximaal 550 punten behaald worden), maar dat op andere scholen een score van 528 al voldoet, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een gemengde brugklas van vmbo tot gym. Nu zijn dit soort grote afwijkingen uitzondering, maar een verschil van enkele punten komt geregeld voor. Zelfs binnen één stad, omdat elke school in principe zelf zijn toelatingscriteria kan bepalen.

Schimmig gebied

Uit het Cito-onderzoek blijkt dat op de meeste middelbare scholen het onderwijskundig rapport van de basisschool over de leerling (het schooladvies) een minstens zo belangrijke rol speelt bij de toelating als de uitslag van de eindtoets. ‘Een meerderheid (58 procent) geeft aan dat zij, al dan niet na overleg, het advies van de basisschool volgen als dat niet overeenkomt met de score,’ zegt Marleen van der Lubbe van Cito, die het onderzoek uitvoerde. Slechts 0,3 procent gaat in zo’n geval uitsluitend op de eindtoets af. Cito concludeert dan ook dat het voortgezet onderwijs ‘de scores op de Cito-toets interpreteert en gebruikt volgens de aanwijzingen die de Cito-groep verstrekt.’ Die indruk heeft de NKO ook. Niks aan de hand dus. Of toch? ‘Die 0,3 procent zegt niet alles,’ zegt Irene van Kesteren. ‘Ik zou dat percentage dan ook met een korreltje zout willen nemen. Scholen zéggen natuurlijk niet altijd dat ze alleen op de scores afgaan. Officieel verloopt alles volgens de regels, maar de onderbuikgevoelens van ouders spreken soms een andere taal. Voor buitenstaanders is de toelating een schimmig gebied.’

Hoogste scores eerst

Niet alleen verschillen de ondergrenzen, het kan ook voorkomen dat kinderen met een te lage score op de ene school zonder meer worden toegelaten, elders mogen doorstromen op advies van de basisschool, op een andere school een ‘bespreekgeval’ zijn en bij een vierde eerst nog even een aanvullend onderzoek moeten doen. Al jaren circuleren er bovendien geruchten dat sommige scholen alleen leerlingen met de hoogste Citoscores plaatsen. Projectleider kernprocedure Herman Blommers weet dat er in Amsterdam een paar scholen zijn die leerlingen met een twijfelachtige score nog even afhouden om te kijken of zich nog ‘betere’ kandidaten melden. Inez Ruting uit Landsmeer heeft dat gevoel ook overgehouden aan het toelatingscircus rond haar oudste zoon: ‘Uit telefoongesprekken met scholen heb ik opgemaakt dat het hebben van een hoge Citoscore de kansen vergroot.’ Uiteindelijk wordt in Amsterdam iedereen conform zijn advies geplaatst, maar niet altijd op zijn favoriete school.

Volgens Irene van Kesteren hebben sommige scholen hun toelatingscriteria de afgelopen tijd inderdaad steeds verder opgeschroefd. ‘Scholen met een groot aanbod kunnen het zich permitteren de betere leerlingen te selecteren. Uiteindelijk komt hen dit ten goede op hun kwaliteitskaart. Dan hoeven ze leerlingen niet in het voorexamenjaar te laten zitten om de slagingspercentages hoog te houden. Zwakkere scholieren heeft men dus liever niet.’ Het voortgezet onderwijs zit volgens Van Kesteren in een spagaat tussen de maat die hen wordt genomen door de Onderwijsinspectie, en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid alle leerlingen aan te nemen. ‘Het is niet voor niets dat in Amsterdam veel scholen hun eindcijfers en doorstroompercentages niet inleveren bij de inspectie. Ze worden er genadeloos op afgerekend door publicatie in de media.’

Zo verwordt de eindtoets in de praktijk tot een toelatingsexamen voor het voortgezet onderwijs. Onterecht, vindt ook de Cito-groep zelf, want daarvoor is hij niet bedoeld. Het zet volgens Van Kesteren een onterechte extra druk op de toets. ‘Als je weet dat één puntje te laag kan betekenen dat je niet op de school van je keuze komt, worden die drie dagen in februari wel erg zwaar. Die gedroomde schoolcarrière gaat dan voorgoed aan je neus voorbij. Ik vind dat heel ernstig.’

Actie

De NKO strijdt voor meer openheid in het toelatingsbeleid. Uniforme toelatingscriteria zijn volgens Van Kesteren vooralsnog niet nodig.’ Wij vinden het belangrijk dat het onderwijskundig rapport een centrale rol speelt bij de toelating. Gelukkig is dat steeds meer het geval. Zet die ontwikkeling door, dan zijn landelijke regels niet nodig, maar moet je de autonomie van de school respecteren. Wel moeten middelbare scholen dan hun verantwoordelijkheid oppakken en zorgen dat er binnen de regio met het basisonderwijs overlegd wordt over een zo soepel mogelijke overgang. Mocht het over een jaar nog steeds zo ondoorzichtig zijn, dan zou er wel dwingender opgetreden moeten worden. Ik wil me daar hard voor maken.’ Vanaf het moment dat de uitslagen van de Cito 2006 bekend worden (6 tot 12 maart) opent 5010 daarom de lijnen voor ouders die daar klachten of vragen over hebben. Op die manier hopen de gezamenlijke ouderorganisaties zicht te krijgen op eventuele misstanden. ‘Het is belangrijk dat we veel informatie krijgen. Dat is de broodnodige basis voor verdere acties op dit gebied,’ bepleit Van Kesteren. Misschien dat de schoolcarrière van kinderen dan minder afhankelijk wordt van de plaats waar ze wonen of de school die ze kiezen!

Wat zeggen de scholen?

Antoinette Jacobs van Roermund, afdelingsleider brugklassen Ds. Pierson College, Den Bosch:

‘Bij discrepantie tussen de Cito-uitslag en het advies overleggen we met de basisschool. Is er een groot verschil, dan vragen we ouders om een aanvullend capaciteitenonderzoek te laten doen. Dat gebeurt vooral in het vmbo-segment omdat het daar wel voorkomt dat ouders hun kind - tegen het advies en de score in - toch graag op het vmbo-t willen hebben.’

Minimum-eisen: vmbo-t: 531; havo: 539; vwo: 543 + expliciet vwo-advies (dus niet: havo/vwo)

Henk van Gestel, teamcoördinator vwo Blariacumcollege, Venlo:

‘Wij stellen geen cijfermatige eisen. Meestal is het advies van de basisschool doorslaggevend. We weten uit ervaring dat er scholen zijn die goed adviseren en scholen die slechte adviezen afgeven. Bij twijfel gaan we altijd met ze in gesprek.’

Marcel Willemsen, afdelingsdirecteur havo/vwo onderbouw Candea College, Duiven:

‘Het advies van de basisschool is doorslaggevend. Soms vragen wij ons - puur theoretisch - af of we onze ondergrens niet wat harder moeten maken. Vooral op het grensvlak tussen vmbo en havo zetten ouders graag zo hoog mogelijk in. Met strikte richtlijnen zou je dat kunnen afstoppen. Maar daarvan worden leerlingen die toevallig slecht hebben gescoord de dupe.’

Minimumeisen: vmbo gemengd/theoretisch 531; havo: 537; vwo: 543

Barbara Sol, coördinator brugklas Olympus College, Arnhem:

‘Bij vragen bellen we de basisschool. Is een kind eenmaal bij ons geplaatst, dan voeren we per kind een intake-gesprek met de leerkracht van groep 8. Het gaat dan om zaken als sociaal-emotionele ontwikkeling, plek in de klas. Na drie maanden gaan we weer op bezoek en bespreken dan onze ervaringen.’

Minimumeisen: vmbo-t: 530; havo: 535; vwo: 540; gymnasium: 545

Bert de Jong, centraal directeur Gomarus College, Groningen:

‘Wij hanteren geen ondergrenzen. Als gereformeerde school vinden wij dat wie instemt met onze uitgangspunten geplaatst moet worden. Met iedereen die toegang verzoekt, voeren we daar een gesprek over. Vervolgens kijken we op welk niveau het kind het beste kan instromen. Wij bieden alle typen onderwijs. Meestal komen we er samen met ouders en basisschool goed uit. ’

Willy Klat, studiehuisleider onderbouw Stellingwerf College, Oosterwolde:

‘Leerlingvolgsysteem en advies zijn minstens zo belangrijk als de toetsuitslag. Is er een groot verschil tussen advies en toets, dan laten we het kind op IQ testen.’

Minimumeisen: vmbo-t: 530; vmbo/havo: 535; havo/atheneum: 539

Tekst: Anne Elzinga