Autisme behandeling 

  1. Gestructureerde leeromgeving. De motorische manipulatie is de meest concrete vorm van structuur aanbieden. (Model leren, je leert iets aan naar analogie, dus nadat het is voorgedaan)
  2. Vaste plaats in een gestructureerde leeromgeving.
  3. Belangrijk zijn de volgende aandachtspunten bij het structureren van gedrag: Doelstelling, taakomvang en  tijdsduur van een opdracht duidelijk maken.
  4. Het ABC van het gedrag moet in het oog gehouden worden: ntecedenten (wat aan het gedrag vooraf gaat) Behaviour (het gedrag zelf, zichtbaar en helder gedefinieerd) Consequentie ( de gevolgen van het gedrag voor het kind)
  5. Alle facetten van het gedrag dienen in concrete bewoordingen beschreven te worden. (Boosheid gevoelens kunnen niet weggenomen worden, maar wel kan het gedrag veranderd worden dat met de gevoelens van boosheid samenhangt: schoppen en slaan)
  6. Geschiedenis van het gedrag te weten zien te komen. Is het oud of nieuw gedrag. Vgl.: school-thuis.
  7. Gebruik maken van de sterke kanten om de zwakke kanten te compenseren. Visuele waarneming sterk, taalkant zwak)
  8. Stap voor stap methode: bij een ontwikkelingsgang dient er een logisch stappenplan zichtbaar te zijn. (oorzaak en gevolg)
  9. Hoe meer communicatie des te minder gedragsproblemen.

Straffen en belonen: aansluiten bij het belangstellingsniveau van het kind.


Over Autisme, Autisme bevraagd en beschreven. Landschip & Loes Modderman. Uitgeverij EPO, Berchem-Antwerpen & Autisme centraal, Gent 2004ISBN 90 6445 365 9 Distributie in Nederland: Centraal Boekhuis BV Culemborg & Scholtens Sittard


Behandelingsstrategie met betrekking tot autistische kinderen

Praktische tips voor ouders

Bron: NVA
Engagement Special september 1990
NVA startpagina

Voorwoord

"Een autistisch kind is gewoon een kind; geen gewoon kind, maar een gehandicapt kind dat hulp nodig heeft"; aldus Snijders-Oomen (1978).
Twaalf jaar later buigen we ons nog steeds over deze hulp, met name over de juiste vorm van hulp. Autistische kinderen zijn onderling zo verschillend dat er altijd 'hulp op maat' moet zijn. Van een 'receptenboek' is geen sprake. Steeds weer opnieuw wordt er een appŤl op ieders inventiviteit gedaan. Hoe vaak staan we niet met 'lege handen', ouders Ťn deskundigen?
Het grootbrengen van een autistisch kind is een zware opgave. Elke ontwikkelingsstap gaat met vele problemen gepaard. "Het gewone opvoeden lijkt niet te lukken", verzuchtte eens een moeder.
"daar waar het met mijn andere kinderen allemaal zo spontaan ging, stokt het bij Mark. Ik wou dat er een soort trukendoos bestaat waar ik op momenten van radeloosheid iets uit kan halen, een idee kan vissen". Hoeveel ouders hebben deze wens al niet geuit. Anderzijds beschikken ouders over een ongekende hoeveelheid creatieve ideŽen, ideŽen die ook voor andere ouders van nut kunnen zijn. Vaak gaan ze echter door de drukte van alledag verloren.
De NVA heeft een poging gedaan deze met behulp van ouderbijeenkomsten boven tafel te krijgen. Wat te doen bij slaapproblemen, bij eetproblemen, hoe bevorder je de zelfstandigheid, hoe stimuleer je het contact, etc.?
Deze voorbeelden zijn gebundeld en aangevuld met adviezen uit de literatuur. Annelie Schenk heeft deze gegevens tot een zinvol geheel samengevoegd in de vorm van een doctoraalscriptie orthopedagogiek (R.U. Leiden 1989).
Wij hebben deze scriptie gezamenlijk bewerkt tot een uitgave van Engagement die - onder de titel "Praktische tips voor ouders" de Special-1990 vormt. Deze Special is geen 'trukendoos', maar een leidraad die ouders ter hand kunnen nemen bij het zoeken naar concrete handgrepen. Er worden verschillende problemen beschreven waarmee ouders bij het grootbrengen van hun autistisch kind geconfronteerd worden en daaraan gekoppeld worden behandelingsadviezen gegeven.
Nogmaals: Het is geen receptenboek maar een ondersteuning bij het moeilijke pad dat ouders van autistische kinderen moeten bewandelen.

Annelie Schenk
Corrie Hellingman
Ina van Berckelaer-Onnes
Ria Stegehuis


Deze Special kon niet tot stand komen zonder de financiŽle bijdrage van het Nationaal Fonds voor de Geestelijke Volksgezondheid.


De behandelingsstrategie met betrekking tot autistische kinderen

De huidige visie ten aanzien van autisme vindt zijn weerslag in de DSM-III-Revised (Diagnostic Statistical Manual of mental disorders)(APA 1987) [Letop: hier wordt met 'huidige' bedoeld: 1990, inmiddels is DSM IV de laatste versie - commentaar van uw webmaster]. De DSM-III-R is een psychiatrisch classificatiesysteem, waarin de aandoeningen uit het spectrum van autistische stoornissen tot de catagorie pervasieve ontwikkelingsstoornissen worden gerekend. Pervasief wil zeggen dat de stoornis diep in de ontwikkeling van de persoon ingrijpt. De ontwikkeling van tal van funkties wordt daardoor beÔnvloed en belemmerd. In de DSM-III-R worden de pervasieve ontwikkelingsstoornissen als volgt gedefinieerd:

Bij de pervasieve ontwikkelingsstoornissen wordt een onderscheid gemaakt tussen de autistische stoornis en de aanverwante contactstoornis, waarbij de autistische stoornis als de meest ernstige vorm wordt beschouwd. [In 1996 heeft de NVA zijn naam gewijzigd in 'voor mensen met een aandoening uit het spectrum van autistische stoonissen' onder andere om aan te geven dat de aanverwante contactstoornissen minstens zo ernstig zijn - commentaar van uw webmaster]

De oorzaak (oorzaken) van autisme is (zijn) nog niet bekend, al wijst recent onderzoek met steeds meer evidentie in de richting van een organische bepaaldheid. Het gaat vermoedelijk om meerdere oorzaken.

In deze Special wordt niet verder ingegaan op de autistische stoornis zelf, we richten ons op concrete handelingsadviezen. Deze adviezen zijn gerelateerd aan de door Rutter (1985) aangegeven behandelingsstrategieŽn. Rutter meent dat gezinnen met een autistisch kind ondersteund moeten worden. De ouders dienen begeleiding te krijgen in de zware taak waar ze zich voor gesteld zien, zowel in emotionele als in praktische zin. Dit betreft niet alleen begeleiding bij de verwerkingsproblematiek, maar ook praktische steun als het regelen van oppas, speciale woonaanpassingen, etc.

Naast deze meer oudergerichte doelen is het van belang dat er kindgerichte behandelingsplannen worden samengesteld. Deze dienen, aldus Rutter, de volgende doelen na te streven:

  1. Stimulering van de normale ontwikkeling
  2. Vermindering van de specifieke verschijnselen
  3. Eliminering van de non-specifieke verschijnselen

Het eerste doel vloeit voort uit de opvatting dat autisme een ontwikkelingsstoornis is. Er is duidelijk sprake van een abnormale ontwikkeling, aldus Rutter. Waar en voor zover een normale ontwikkeling mogelijk is, dient deze ondersteund en bevorderd te worden.

Onder specifieke verschijnselen verstaat Rutter gedragsverschijnselen die direct uit het autistische syndroom voortvloeien, zoals rigiditeit die zich o.a. uit in weerstand tegen veranderingen en stereotype wijze van omgaan met bepaalde voorwerpen.

Als non-specifieke verschijnselen ziet hij problemen die niet direct voortvloeien uit het autisme. Bij de specifieke verschijnselen hanteert Rutter bewust het woord "vermindering", daar deze nooit echt zullen verdwijnen. Ze blijven als het ware op de achtergrond aanwezig. Bij de non-specifieke problemen spreekt hij van "eliminering", omdat deze wel vaak samengaan met autisme, maar van voorbijgaande aard blijken te zijn, al vraagt het dikwijls een zeer lange adem (zoals bijvoorbeeld eet- en slaapproblemen) Van Berckelaer-Onnes en Kwakkel 1988 .

In het navolgende zullen we aan de hand van de door Rutter geformuleerde behandelingsdoelen een aantal handelingsadviezen aanreiken, te beginnen met de kindgerichte aktiviteiten.

Het stimuleren van de normale ontwikkeling

Rutter noemt een aantal gebieden binnen de normale ontwikkeling die bij de behandeling van autistische kinderen een specifieke rol spelen: de sociale ontwikkeling, de taalontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en het leerproces. Uiteraard kunnen deze gebieden niet los van elkaar gezien worden en spelen ze op elkaar in.

Voordat we op deze aspecten ingaan, willen we echter eerst aandacht besteden aan de ontwikkeling van de motoriek, het spel en de zelfredzaamheid. Ook tenaanzien van deze gebieden voltrekt de ontwikkeling zich bij autistische kinderen anders. Daarbij kunnen zij als belangrijke voorlopers voor de cognitieve ontwikkeling en het leerproces gezien worden.

De motorische ontwikkeling

Stereotiepe bewegingspatronen zijn kenmerkend voor het autistisch syndroom. Een autistisch kind maakt veel eigenaardige bewegingen. Het "klapwiekt" met de armen en de handen, springt op en neer en maakt vaak grimasbewegingen. Sommige kinderen lopen voortdurend op hun tenen en houden daarbij soms de benen stijf. Veel autistische kinderen draaien met voorwerpen of friemelen met de vingers voor hun ogen. De motoriek is vaak zeer stereotiep: het kind wiegt minutenlang ritmisch heen en weer met romp of hoofd, spint om zijn as, of wappert met de handen. Deze stereotiepe bewegingspatronen kunnen zich al op jongere leeftijd manifesteren en zijn door de ouders vaak moeilijk te doorbreken. Veel van deze stereotiepe bewegingen hebben een zelfstimulerend, lustvol karakter voor het kind.

Baby-, peuter- en kleuterperiode

Bij veel autistische kinderen wijkt de grove motorische ontwikkelling aanvankelijk niet af van het normale patroon: de baby begint spontaan zijn hoofdje op te tillen, zich om te draaien, zich op te trekken etc. In vergelijking met het zich normaal ontwikkelende kind gaat het autistische kind vaak op later leeftijd staan en lopen. Soms lijkt het alsof het kind de fase van het vallen en opstaan overslaat. Het is niet zelden dat een autistische peuter plotseling los kan lopen terwijl hij daarvoor alleen maar had gekropen. De motorische ontwikkeling verloopt vaak met horten en stoten: een achterstand op een bepaald gebied kan worden gevolgd door een plotselinge 'inhaalmanoeuvre'. Opmerkelijk is de dysharmonie in de motorische ontwikkeling. Het kind is zeer behendig in het verrichten van motorische activiteiten die zijn belangstelling hebben (bijvoorbeeld het lopen over een richel, het bedienen van de pick-up), terwijl het kind een zeer onhandige indruk maakt als het dingen moet doen die het niet prettig vindt (bijvoorbeeld zichzelf aankleden). Net als de autistische kleuter heeft het autistische schoolkind een houterige, weinig gracieuze motoriek. StereotypieŽn (bijvoorbeeld op de tenen lopen) blijven herkenbaar, maar verminderen naarmate het kind ouder wordt. De eerder genoemde discrepantie tussen verschillende motorische vaardigheden blijft bestaan. Opvallend is het geringe en vaak verstoorde lichaamsbesef van autistische kinderen op deze leeftijd; een aantal kinderen herkent zichzelf niet in de spiegel of op foto's.

Adolescentieperiode

In deze periode is vaak sprake van een terugval in schijnbaar afgeleerde stereotypieŽn en primitieve gedragingen (bijvoorbeeld fladderen, alles in de mond stoppen, likken etc.). Met name bij de op laag verstandelijk niveau functionerende autisten is het gevangen zijn in de eigen lichamelijkheid opmerkelijk, terwijl de verstandelijk meer begaafde autisten vaak sterk dwangmatig zijn. Een aantal stereotiepe bewegingen hebben op deze leeftijd voor een autistische adolescent een lustvol karakter en kunnen tot seksuele opwinding leiden.

Handelingsadviezen met betrekking tot de grove en de fijne motoriek

Bij het verbeteren van de grove motoriek is het belangrijk om uit te gaan van de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind. Tijdens het spel of de oefening moet de volwassene parallel meebewegen met het kind. Ook is het van belang naast het kind te gaan staan en niet er tegenover. Het spel of de oefening kan men stapsgewijs opbouwen , eerst voordoen, dan samen doen en tot slot alleen laten doen. Naast liedjes waarbij bewegingen moeten worden gemaakt zijn bewegingsspelletjes heel geschikt om de grove motoriek te verbeteren:

De handelingen die steeds herhaald moeen worden, kan men in kleine stapjes uitbreiden, Men moet daarbij niet vergeten het kind regelmatig te belonen. Ook bij het verbeteren van de fijne motoriek speelt de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind een grote rol. Men kan de hand van het kind leiden bij (motorische) aktiviteiten waar het kind moeite mee heeft. Door bijvoorbeeld het kneden van klei, het scheuren van papier en het maken van puzzels met knopjes, kan het kind meer kracht in de handen krijgen. Om meer kracht in de voeten te ontwikkelen kan het kind bijvoorbeeld met een blote voet over een gladde stok rollen. Wanneer men een specifiele motorische vaardigheid met het kind wil oefenen, bijvoorbeeld het grijpen, kan men de volgende oefeningen doen:

Om het richten van de vinger naar een doel te verbeteren kan men gebruik maken van een drukbel, een speelgoedkassa en/of een muziekdoos. Door deksels los en vast te draaien, en bouten en moeren samen te voegen kan het kind spelenderwijs de draaibewegingen met de handen oefenen.

IdeeŽn om de oog-handcoŲrdinatie te bevorderen:

IdeeŽn om de oog-voetcoŲrdinatie te bevorderen:

Verven en tekenen kunnen een positieve invloed hebben op de fijne motoriek (bijvoorbeeld vingerverven, verven met een kwast, het tekenen van lijnen, cirkels en vierkanten, etc.). Ook hier geldt dat men de handelingen veel moet herhalen en stapsgewijs moet uitbreiden.

Spel

Het spel van autistische kinderen heeft de volgende kenmerken:

Een autistisch kind heeft geen of nauwelijks belangstelling voor dingen die de aandacht opeisen van elk ander kind dat opgroeit en zich normaal ontwikkelt. Een autistisch kind mist de nieuwsgierigheid om zijn omgeving te